Terug

A
A
A

GENRESTUKJE OF POLITEIA?


Voor wie beschreef Couperus De Apotheose?


In: Bzzlletin, 183 (1991), p.33-37



Louis Couperus schreef in de jaren negentig van de negentiende eeuw Majesteit en Wereldvrede en in het daaropvolgende decennium De Berg van Licht; drie 'keizerromans' met een uitgesproken politiek-psychologische thematiek.


Het wekt enige verbazing, dat hij zich in later werk met hoofdfiguren van gelijke maatschappelijke status beperkte tot genrestukjes. Te betwijfelen valt namelijk of de 'opvattingen' die Couperus via zijn werk wilde overdragen, op deze manier het grote publiek konden bereiken. Is dit al de vraag bij de genoemde romans - zeker niet door iedereen 'politiek' of zelfs maar 'psychologisch' gelezen - a fortiori moet zij worden gesteld bij zijn verhalen, met name de antieke. Zijn deze verhalen voor 'gewone lezers' expliciet genoeg, en zo niet, heeft Couperus zulke 'gewone lezers' überhaupt wel voor ogen gehad? De Apotheose (noot 1) bijvoorbeeld geeft op het eerste gezicht 'slechts' een impressie van een historische gebeurtenis: de crematie en bijzetting van keizer Augustus. Th. Bogaerts omschrijft het als een 'flonkerende, maar vrij zielloze beschrijving van 's keizers plechtige uitvaart op de Campus Martius.' (noot 2) Ik lees er wel iets meer in. Het volgende is een poging om dat 'meer' te omschrijven en tot Couperus' mogelijke intenties door te dringen.


BABEL


Aan de oevers van de Tiber verrijst het 'Mauzoleum' dat 'de groote Augustus', de 'Stichter des Romeinschen Rijks', heeft laten bouwen voor de as van hemzelf, van al de zijnen en van zijn slaven en vrijgelatenen. Het is een 'breed machtige toren', een 'trotsche marmeren bouw, drie verdiepingen òp, die verdiepingen zich versmallende, zich verslan-kende naar den blauwenden ether toe, en iedere verdieping uitbreidende een wijd terras, met aarde bedekt als een hangende tuin, waarin, regelmatig, en donkerend groen, tegen schel azuur, de grote cypressen op stonden.' (noot 3)


Couperus (weinig Romeinen uit Augustus' tijd zouden op het idee zijn gekomen) vergelijkt het bouwwerk met wat, in de joodse en christelijke traditie, hét voorbeeld is van menselijke hoogmoed: de Toren van Babel (noot 4) , waarmee de mens de goden wil evenaren en onttronen. In die vergelijking oordeelt Couperus positief over Augustus' grafmonument en veroordeelt hij, impliciet, de hybris. Het gebouw is (p.194, cursivering van mij) 'een Babel gelijk, dat torende in de wolklooze lucht, maar symmetriesch van lijnen en bereikte volmaaktheid van wel heel trotschen, maar niet vergeefs reikenden hoogmoed: de hoogmoed om de goden te naderen meer met het symbool, dan met een werkelijkheid van marmeren terrassen op terrassen in de wolken en de hemelen toe.'


Het herscheppen van materie tot volmaakte, symmetrische (noot 5) vorm; dat is de uiterste wijze waarop de trotse mens het goddelijke mag benaderen: door het oprichten van stoffelijk-geestelijke symbolen. De evenwichtige vorm alleen kan en mag op de aarde der mensen het hemelse verbeelden; in het mateloos en onvol-tooibaar opstapelen van marmer, van dode materie, reikt de hoogmoed vergeefs naar het eeuwige.


GODDELIJKE SCHIJN


Wat Couperus hier in zijn eerste alinea uitspreekt, lijkt op een waarschuwing. De lezer kijkt dan ook, na te zijn ingelicht over het door Augustus lang geleden gebouwde Mausoleum, wel wat op van het woord 'vergoddelijking' op de tweede pagina. Het verhaal De Apotheose vertelt de viering van de 'vergoddelijking' van Augustus. Is er in de mentaliteit van Augustus zelf iets veranderd sinds hij, in het jaar 28 voor onze jaartelling, zijn betrekkelijk bescheiden grafmonument liet bouwen (noot 6), of zijn er anderen die belang hebben bij zijn 'vergoddelijking'? Een analyse van het verhaal zal deze vraag moeten beantwoorden.


Op deze 'septembermorgen' (noot7) zal Augustus' lijk worden verast en de vergoddelijking van de keizer gevierd.


Schijn en werkelijkheid contrasteren vanaf de tweede pagina: Het is niet het lichaam van de keizer dat van meet af aan in het middelpunt van de belangstelling staat, maar zijn beeltenis in was, na zijn dood natuurlijk beter dan zijn 'stoffelijke resten' in staat om een idee van goddelijkheid te wekken (p.195, cursivering van mij): 'Jeugdige knapen woeien met pauwe en struisveêren waaiers koelte om de wassen figuur als ware het Augustus zelve, die daar nog sliep.' (noot 8) Het 'werkelijke lijk' van Augustus was 'in het geheim in de nacht' al onder de brandstapel geplaatst, staat op p.197. (noot 9)


Het wassen beeld wordt onder aanvoering van weduwe Livia in processie van het paleis naar het Marsveld gebracht. De dubbelheid van schijn en zijn vinden we ook in het optreden van de weduwe (cursiveringen van mij): het 'scheen of de keizerin brak van smart' (...) en in dat [het vak] van de klaagvrouwen: (...) hurkten de matronen neer in houdingen van ontroostbaren rouw.'


Livia neemt plaats op de eerste verdieping van het Mausoleum. Het wassen beeld wordt op de brandstapel geplaatst. Bij het beeld staat Livia's zoon, de nieuwe keizer Tiberius. Nadat er de hele dag is gedefileerd steekt hij (noot 10) de brandstapel aan. Veelkleurige vlammen kruipen omhoog, tot de brandstapel verandert in 'één immense vuurkolom'. Dan, 'plotseling, als uit de vlammen, steeg een adelaar omhoog (...) wiekte over het Mauzoleum heen, en verdween in de violetduistere nacht. Het was de ziel van den keizer Augustus, die weg wiekte van de aarde, om in den Olympus, tusschen de goden, te zetelen in herschapen, godlijke gestalte.' Een voetnoot bij het verhaal deelt mee dat senator Numerius Atticus dit 'na een gift van Livia, die 600.000 sestertiën bedroeg, bezwoer.'(noot 11) Als de brandstapel, 'om trots en hoogmoed gevoed (...) met een overdaad van brandbare schatten', na vijf dagen en nachten (noot 12) is afgekoeld, schept Livia (die al die tijd in de vlammen heeft zitten staren!), met Tiberius in de urn de as van Augustus, 'die nu, god, troonde tusschen de goden.'


BELANG


Hierboven stelde ik de vraag: zijn er anderen die belang hebben bij Augustus' 'vergoddelijking'? De voetnoot bevestigt dit laatste: Livia koopt Augustus' 'goddelijkheid'. Dat wordt als het ware buiten de fictie om meegedeeld. In het verhaal laat Couperus alle

toeschouwers zien, hoe Augustus' ziel als adelaar wegwiekt van de brandstapel (maar let op de formulering die er ook bij hem een schijnvertoning van maakt - ik cursiveer - : 'Plotseling, als uit de vlammen, steeg een adelaar omhoog'.).


De 'historische' voetnoot (die in werkelijkheid ook tot de fictie behoort) moet de lezer overtuigen van het belang dat Livia bij de 'vergoddelijking' heeft. Het optreden van de keizerinweduwe en haar zoon is louter theatraal, zoals de hele crematieplechtigheid het meest wegheeft van een theatervertoning. Alle effecten bij die vertoning zijn nauwkeurig berekend. Een 'bovennatuurlijke', verheven sfeer met 'bovennatuurlijke' protagonisten wordt opgeroepen door nevelende geuroffers. Die (cursiveringen van mij) 'verontzichtbaarden Tiberius en het bedde, waarbij hij stond; soms in den geurdamp, verijlde op het Mauzoleum de oude keizerin, werd de groep der vrouwen een droom, schimmevaag,' en na vele uren van plechtige processies 'schijnt' dat 'buitenaardse', onwezenlijke nog sterker: 'de zon zonk, een gouden stofwemeling scheen te trillen (...) heel het blank marmeren monument scheen te verzachten, te verdunnen, te verijlen (...)'


Als de brandstapel wordt aangestoken, lezen we dan ook dat dit voor het publiek een mooie vertoning is (p.199): 'Het was een overprachtig schouwspel van rouw, en de Romeinen keken, voldaan en getroffen van schoonheid.'


Op de voorlaatste bladzijde wordt het karakter van tableau vivant bevestigd: op het Mausoleum bleef 'als een tragische groep zichtbaar voor de oogen van alle Romeinen, de rouw van de Weduwe en van den Zoon.'


Ik citeerde al (ik cursiveer) de 'woedende, razende' vlammen, die 'om trots en hoogmoed gevoed waren geworden met een overdaad aan brandbare schatten.' Hoogmoed en overdaad niet van Augustus, maar van diens weduwe en haar zoon. Zij spelen niet alleen de hoofdrollen in het pseudo-religieuze drama, maar voeren - meer dan in Couperus' bronnen - ook de regie.


MACHTSVERTOON


Eén leidmotief (noot 13) heb ik tot lu toe buiten beschouwing gelaten: dat van het 'Leger'; zeven keer vermeld, in het enkelvoud steeds met hoofdletter (de meervoudsvorm 'legers' komt slechts eenmaal voor). Het enkele woord 'Leger' was Couperus niet genoeg; vijf van die zeven keer wordt het de lezer visueel ingeprent door epithe-ton-achtige beschrijvingen: 'de zon spiegelde in het koper en brons der wapenrustingen en schilden'; 'van het Campus Martius schoten het brons en het koper der wapenen en schilden des opgestelden Legers lange, regelmatige bliksems en plotse, verblindende vonken'; 'de rijen des wapenbliksemenden Legers'; 'het wapenblikkerende Leger er tusschen'; 'bleef het Leger fel bliksemend van blikkerend wapengevonkel en schildgespiegel'.


Dit machtsvertoon, in het verhaal dus zeer beklemtoond, kan de lezer, in combinatie met de voetnoot, op het spoor brengen van politieke elementen die in De Apotheoze, hoe impliciet ook, niet ontbreken. Daarbij kan een studie van Couperus' bronnen verhelderend werken. De antieke schrijvers vergelijken wat hier gebeurt namelijk met de taferelen die zich afspeelden bij de verbranding van het lichaam van Augustus' voorganger, Julius Caesar (noot 14). Deze had als eerste in het Romeinse Rijk de absolute macht naar zich toe getrokken en werd om die aantasting van de vrijheid vermoord.(noot 15) Bij Tacitus (Annales, I, 8) lezen we dat er (ik cursiveer) 'op de dag van Augustus' crematie soldaten waren opgesteld als ter bescherming, waarover veel werd gespot door mensen die zelf de dag hadden meegemaakt - of er van hun ouders over hadden gehoord - waarop de slavernij nog vers was en op een ongelukkige manier was gepoogd de vrijheid te herwinnen.' (noot 16) Cassius Dio (Augustus LVII, 2,2) vermeldt dat Tiberius, om dit militair vertoon te rechtvaardigen, 'voorwendde te vrezen dat mensen zich van het lijk meester zouden maken en het op het Forum zouden verbranden, zoals ze met dat van Caesar hadden gedaan.' Ditmaal wordt elk risico door strikte organisatie en vooral door de aanwezigheid van het leger buitengesloten. Heel de plechtigheid heeft de functie de erfelijkheid van het 'goddelijk' keizerschap te bevestigen', de macht van Tiberius en zijn moeder veilig te stellen, en de macht van de erfelijke dictatuur te consolideren. Een oordeel is impliciet in de schijnvertoning van menselijkheid, waarmee het volk door zijn heersers wordt misleid en zoetgehouden

.

ALLUSIETECHNIEK


Couperus heeft De Apotheoze met uit de antieke bronnen geselecteerde gegevens

gecomponeerd als 'niet meer dan' een pregnant beeld van een historische gebeurtenis. Doordringen tot de politieke intentie achter dit beeld veronderstelde bij lezers een ruimere kennis van diezelfde antieke bronnen. Dat zou kunnen wijzen op een geïntendeerd publiek van op zijn minst enigszins klassiek geschoolden, die 'aan een half woord genoeg hadden', die in staat waren zijn allusies ook vanuit betrekkelijk schaarse verhaalgegevens te volgen. De afwezigheid van die voorkennis bij een groot gedeelte van zijn latere publiek zou voor een deel kunnen verklaren waarom Couperus' antieke werk zeker in latere decennia vaak aantoonbaar inadequaat is gelezen.


Naast gebrek aan achtergrondkennis speelt mijns inziens het verwachtingspatroon van het lezend publiek een grote rol bij de aantoonbare storingen die er in de receptie van Couperus' werk zijn opgetreden. Dat verwachtingspatroon is onder meer ontstaan door beeldvorming over de persoon van de schrijver. Voor die beeldvorming - Couperus als 'dandy', als 'decadent' - is de auteur met zijn verfijnde openbare optreden stellig mede aansprakelijk. Anderzijds danken we dit verwachtingspatroon aan de - elkaar als zo vaak napratende - literatuurcritici, biografen en literatuurhistorici, waar zij naïef, niet-analytisch lezend, uitspraken en handelingen van verhaalpersonages kortsluiten op de auteur. Zo tot stand gekomen genrebepalingen hebben een taai leven en produceren een bijbehorende leeswijze die moeilijk te doorbreken is.


Noten


1. Louis Couperus: De antieke verhalen, Amsterdam, 1980, p.194-201; voor het eerst gepubliceerd in Groot Nederland, 1910, deel II, p.32-38; herdrukt in Schimmen van Schoonheid, 1912, p.28-37.


2. De antieke wereld van Louis Couperus, Amsterdam, 1969, p.70.


3. Een afbeelding is bijvoorbeeld te vinden in V. Gardthausen: Augustus und seine Zeit, 1891, deel I, p.1278. In deel II op p.864 wordt opgemerkt: 'Das Mausoleum des Augustus (..) macht einen ernsten, feierlichen und, wenn man will, auch kolossalen Eindruck, wenn man nur nicht den übertriebenen Maasstab orientalischer Bauten anlegt...' Deze reconstructie komt veel dichter in de buurt van Couperus' beschrijving dan die van Italo Gismondi in Il Plastico, het model van Rome in de tijd van Constantijn de Grote (4e eeuw) in het Museo della Civiltà Romano. Toch denk ik dat een lezer die louter op het verhaal afgaat zich nog weer een ándere voorstelling maakt. Bron kan natuurlijk zowel de fantasie van de auteur als een andere beschrijving resp. afbeelding zijn.


4. Vergelijk Couperus' roman Babel uit 1901 over menselijke hoogmoed en kleinheid (Verzameld Werk deel IV, p.225-308).


5. Vergelijk in het, eerder in 1910 geschreven, verhaal 'De Laatste Morgen te Tibur' de Villa Adriana, daar gekarakteriseerd als (ik cursiveer) 'symmetrielooze opeenstapeling' van bouwwerken. In mijn dissertatie (De omrankte staf. Couperus' antieke werk van 'Dionysos' t/m 'Herakles', p.122 e.v.), heb ik deze - feitelijk zeker niet geheel juiste - karakteristiek geïnterpreteerd als symbolische aanduiding van het onevenwichtige, romantisch mateloze karakter van Hadrianus. Is deze interpretatie juist, dan kan men Couperus' beschrijving van Augustus' mausoleum misschien ook symbolisch achten voor het beeld, dat hij hier van het karakter van deze keizer wil geven.


6. Vgl. Gardthausen t.a.p. deel II, p.867: 'Augustus hat niemals die Hoffnung ausgesprochen, nach seinem Tode unter die Götter versetzt zu werden, auch nicht brieflich.'


7. Augustus stierf op 19 augustus van het jaar 14 van onze jaartelling. Een maand later werd hij door de Senaat vergoddelijkt. Couperus combineert verassing en vergoddelijking op een etmaal in september (De antieke bronnen voor de beschreven gebeurtenissen zijn: Dio Cassius LVI, 29-47; Suetonius Augustus, 100, Tacitus Annales I,8).


8. Tijdens zijn leven verdroeg Augustus hitte noch kou. Als hij 's zomers sliep liet hij zich met een waaier koelte toewuiven: Suetonius Augustus, 82,1.


9. Volgens Dio Cassius (LVI, 34) werd het lichaam, in een kist verborgen, onder het wassen beeld meegevoerd.


10. Bij Dio Cassius zijn het centurionen (LVI, 42,3).


11. Volgens Dio Cassius (LVI, 46,2) schonk Julia een miljoen sestertiën aan deze senator, omdat hij zwoer dat hij Augustus ten hemel zag rijzen 'zoals de traditie dat over Proculus en Romulus vertelt'. Hoe het idee werd gewekt had Dio al eerder genoteerd (LVI, 42,3; cursivering van mij): 'en een adelaar die in de brandstapel werd losgelaten vloog op, de schijn wekkend dat hij zijn ziel ten hemel droeg.' Ook Suetonius - Augustus 100, 4 - kent de eed. 'Nec defuit vir praetorius, qui se effigiem cremati euntem in caelum vidisse iuraret': 'Er was zelfs een oud-praetor die zwoer dat hij de schim van de gecremeerde ten hemel had zien varen.'


12. De vijf etmalen en het eigenhandig vergaren van de as door de weduwe stammen van Dio Cassius (LVI, 42,4); bij Suetonius wordt dit werk gedaan door barrevoetse ridders met ongegord gewaad (Augustus 100,4): 'Reliquias legerunt primores equestris ordinis tunicati et discincti pedibusque nudis ac Mausoleo condiderunt.'


13. In de zin van in dezelfde vorm terugkerend veelbetekenend verhaalgegeven.


14. Bij Suetonius (Divus Julius, LXXXIV) kunnen we lezen over de chaotische taferelen bij die eerdere plechtigheid.


15. Werd ook Augustus - en wel door Livia - vermoord? Tacitus (Annales, I, 5: 'quidam scelus uxoris suspectabant') vermeldt dit als verdenking van 'sommigen', en Dio Cassius (LVI, 30) transformeert haar zelfs tot een soort stiefmoeder van Sneeuwwitje, waar hij beschrijft hoe ze haar man, om de opvolging van haar zoon veilig te stellen, met vergiftigde vijgen zou hebben omgebracht.


16. 'Die funeris milites velut praesidio stetere, multum inridentibus qui ipsi viderant quique a parentibus acceperant diem illum crudi adhuc servitii et libertatis inprospere repetitae...'


17. Livia beschouwt zich na de dood van Augustus een tijdlang als de eigenlijke machthebster (Dio Cassius, LVH, 12,3).